De Droomschool Nijmegen

Onderwijs

Het ontwerp van de Droomschool komt voort uit een gezamenlijk vooronderzoek waarbij het doel tweeledig was: kennis opdoen van de wereld van het schoolgebouw en inzicht krijgen in ontwerpen van gebouwen vanuit de zintuiglijke beleving. In het gezamenlijke onderzoek is een koppeling gemaakt tussen de zintuiglijke beleving binnen een school en de fysieke architectonische elementen. Als resultaat uit het onderzoek zijn verschillende ontwerptools gegenereerd die in de individuele ontwerpopgave als referentiemateriaal zijn gebruikt.

Met de kennis vanuit het gezamenlijke onderzoek is in deze thesis specifieker onderzoek verricht naar een ontwerpopgave waarbij zintuiglijk beleving binnen de scholenbouw een belangrijke rol kan spelen. Na studie kwam er een duidelijke doelgroep naar boven die extra baat heeft bij een gebouw ontworpen vanuit de zintuiglijkheid. Hieruit voort kwam dan ook de onderzoeksvraag:

Hoe ontwerp ik een school voor de speciale doelgroep ‘kinderen met het syndroom van Down’  met dien verstande dat ingespeeld wordt op de zintuiglijke beleving van deze doelgroep, zodat de kinderen aan leren en zelfontplooiing toekomen en tevens aansluiting vinden bij de maatschappij?

Vanuit deze onderzoeksvraag is een locatie gevonden die aan de gestelde voorwaarden van een school voor kinderen met het syndroom van Down voldoet. De locatie van de school is de Hessenberg te Nijmegen.

Hierop volgde onderzoek naar de geschiedenis van de plek. Door de verwoestingen tijdens de Tweede Wereldoorlog is het karakter van het gebied sterk veranderd. De afgelopen decennia is de gemeente Nijmegen bezig geweest een en ander te herstellen. De school zal op deze locatie dan ook zowel stedenbouwkundig als programmatisch antwoord geven op de vragen die vanuit het historisch en stedenbouwkundig onderzoek volgden.

Vervolgens is er vanuit de door de doelgroep gestelde eisen een gebouwontwerp ontstaan dat inspeelt op de zintuigelijke beleving van de kinderen. Door het inleven in de doelgroep kwam er een ontwerp tot stand dat aan de ene kant een heldere structuur geeft waarbij oriëntatie en het reduceren van prikkels een belangrijke rol spelen en anderzijds werden zones gecreëerd waarbinnen de leerlingen kunnen ontdekken en zichzelf kunnen ontplooien. Hierbij speelt de uiteindelijke relatie met de maatschappij een belangrijke rol.

Het gebouw kent een heldere structuur waarbij alle leslokalen aaneengeschakeld zijn in het langgerekte volume, in de losstaande volumes bevinden zich de vrijere functies zoals het sporten, muziek maken en het koken. Bovenop zijn de medische ruimtes en de ruimtes voor het personeel. Door deze boven in de volumes te huisvesten, kunnen ze de leerlingen ongemerkt observeren.

Rondom de gebouwvolumes ontstaat een tweetal gebieden. Een formele zone met een heldere structuur en een vrij doorwaadbaar gebied met een directe relatie tussen binnen en buiten. In de formele zone wordt les gegeven. Deze activiteit heeft deze heldere structuur nodig zodat iedere leerling weet waar hij of zij zijn klaslokaal terug kan vinden. Prikkels worden in deze zone tot een minimum beperkt: het gaat puur om de verkeersfunctie: ontsluiting van de klaslokalen en het les krijgen zelf. Het vrij doorwaadbare gebied is de zone waarin gespeeld en ontdekt wordt.

Het eindresultaat is een gebouw dat de plek biedt waar kinderen met het syndroom van Down zich kunnen ontplooien en waar ze zich prettig voelen. Een gebouw dat voorziet in onderwijs en pedagogische zorg en dat tevens gelegenheid biedt de leerlingen weerbaar te maken voor de maatschappij. De mogelijkheid bestaat om te blijven logeren, waardoor nog beter gewerkt kan worden aan zelfstandigheid.

Lees de hele publicatie op de website van de Technische universiteit Eindhoven.